vrijdag 11 oktober 2019

Dobberen in een bootje en gevaarlijke beesten

De laatste twee dagen hebben we doorgebracht op een bootje om te snorkelen en om Komodovaranen te zien.
We hadden twee kansen. De eerste dag op het eiland Rinca en de tweede dag op het eiland Komodo. 
We zagen maar liefst 14 komodo’s op Rinca. Het was in de snikhete middag. Samen met een ranger gingen we op pad om ze te zoeken, maar de meeste zagen we direct al bij het pand van de rangers omdat ze op de geuren van de keuken af komen.
‘S middags zijn ze heel sloom. Het zijn koudbloedige dieren, die ‘s nachts afkoelen en dan ‘s ochtends moeten opwarmen. Dan gaan ze foerageren en in de middag dutten ze veel.
Het kunnen flinke kolossen worden van zo’n 3 meter lang. De mannetjes hebben een brede kop en de vrouwtjes smalle.




Varanen paren rond juli en augustus, daarna ontwikkelt het vrouwtje eieren die 2 maanden in haar blijven en vervolgens in een nest worden gelegd. Daar blijven ze nog 7 maanden liggen tot ze uit komen. De jongen zijn direct zelfstandig en het eerste wat ze doen is gauw een boom in klimmen, want ze zijn nog kwetsbaar. Ze worden gegeten door haviken en wat nog erger is: door hun eigen ouders! Het zijn kannibalen! De jongen verstoppen zich in holtes in de bomen en blijven daar tot ze 3 jaar zijn vooral zoveel mogelijk ik zitten. Ze voeden zich met insecten en kleine dieren zoals vogeltjes. Na 3 jaar zijn ze te zwaar om nog te klimmen en dan blijven ze op de grond.
Varanen zijn echte engerds: groot, met een gespleten tong die telkens de geuren oppikt, enorme klauwen en ze kunnen ook nog eens tot 20 km per uur hard lopen. Het zijn geniepigerds want de houden zich heel rustig en wachten of tot hun prooi langs loopt om ze vervolgens te bijten. Door alle bacteriën in hun speeksel gaat de prooi uiteindelijk dood. Ze blijven dus hun gewonde prooi volgen tot deze sterft en eten hem met huid en haar op, inclusief botten. Alleen schedels slaan ze over. Met hun tong kunnen ze geuren oppikken van wel 5 km ver weg.

Onze tweede kans om de varanen te zien was de volgende ochtend op Komodo eiland. Ook daar gingen we weer met een ranger op pad. En we hadden mazzel: door het vroege tijdstip waren ze actief. We hebben er een stuk of 4 gezien. Minder dus dan op Rinca, maar wel met meer actie. Ze zijn hier ook groter dan op Rinca. Een stak ons pad over en de ranger ging er achteraan. Hij legde het filmende mobieltje van mijn zus op grond terwijl de varaan er aan kwam en er recht overheen liep. Dat gaf wel een spectaculair filmpje. Jurasic Park is er niks bij! 
Maar ik dacht wel: help, deze man is degene die ons moet beschermen en hij laat ons alleen voor een filmpje van de varaan... 


Hoewel ze maar 1 keer in de 3 a 4 weken eten is het toch echt wel gevaarlijk. Ze zijn vreselijk onvoorspelbaar in hun gedrag en ze kunnen met gemak een buffel eten, dus mijn zwager of ik zijn een snackje voor deze giganten.

De rest van deze twee dagen hebben we vooral op de boot gedobberd en hier en daar aangelegd om te snorkelen. Het blijft bijzonder! Ik zag een barracuda van zeker een meter lang met allemaal tandjes in zijn openstaande bek. Ik dacht: wegwezen hier! Geen idee of zo’n beest je als mens aanvalt, maar ik nam liever het zekere voor het onzekere. Ik zie liever die prachtige maanvissen of de kleine Nemo’s!




We sliepen aan boord en de maaltijden gebruikten we ook aan boord. Allemaal prima geregeld! En zo liep onze laatste vakantiedag ten einde.
We voeren terug naar Labuan Bajo, zochten onderweg nog naar Mantaroggen en hebben er een gezien. Als toetje kwamen we nog zo’n 10 dolfijnen tegen die bij de boeg mee zwommen. 


Dus nu dit afsluitende blogje, nog een keer Indisch eten en morgen het vliegtuig in voor een lange reis terug. Van Labuan Bajo naar Denpasar naar Medan naar Amsterdam. We zijn voorlopig nog niet thuis, maar het is nu toch echt voorbij!

Al met al was het een reis met bijzondere momenten toen we op zoek waren naar mijn moeders voetsporen hier in de Gordel van Smaragd. We hebben een indruk kunnen krijgen van de eilanden waar ze verbleef. Van het oorlogsverleden hebben we nog wat terug kunnen vinden en ook van de periode daarvoor. En  we hebben opa’s graf bezocht. Daarnaast mochten we genieten van al het moois dat het land heeft te bieden en van de diversiteit in cultuur en landschap op de verschillende eilanden.  
Het was fijn om dit samen met mijn zus Hester en zwager Allard te doen. De voorbereiding van het uitzoeken van mijn moeders verleden was heel leuk om samen te doen. En samen reizen is ook heel gezellig!
Nu met alle verhalen naar de rest van de familie om er over te vertellen en de beelden te laten zien! Hopelijk zullen ook de kinderen en kleinkinderen in de familie dit ooit weer doorgeven aan de volgende generaties.






Floresmens en benzinetekort

Lekker slapen en goed gegeten, dat hadden we wel nodig want de volgende dag maakten we een wandeling van ruim een uur over de hellingen in de omgeving van ons hotel. We bezochten daar een paar traditionele dorpen van de Ngada regio. Ik heb me daar nog laten verleiden tot het kopen van een ikat kleedje. Helaas zag ik later pas dat een kant helemaal verkleurd was door de zon. Met mijn zonnebril op en in de halfdonkere huisjes had ik dat niet gezien. Geen nood, ik leg het kleedje gewoon met de andere kant naar boven.



We kregen ook een maaltijd aangeboden zoals ze die hier gewend zijn te eten. Rijst wordt aangevuld met mais, want de rijst is duur hier.  Als groente was de bloem van een bananenplant gekookt en er zat een gekookt ei bij in de sambalsaus. Al met al verrassend smakelijk, maar niet zo voedzaam.



 De Ngada hebben een matriarchale samenleving. Als een meisje trouwt komt de schoonzoon bij haar familie inwonen. Er wordt een flinke bruidsschat betaald, afhankelijk van het opleidingsniveau van de bruid. Soms wordt dat in delen betaald, bijvoorbeeld op het moment dat een broer van de vrouw gaat trouwen. Dan legt de schoonfamilie dus ook nog geld bij voor de bruiloft van de broer.
De wandeling voor ons langs 4 dorpen en er was hier veel bedrijvigheid. Het laatste dorp was enige tijd geleden vrijwel helemaal afgebrand. Omdat het zo ver verwijderd ligt van de bewoonde wereld kwam de brandweer pas na 2 uur aan en was er nauwelijks water om te blussen. Nu werd er gezamenlijk hard gewerkt aan de herbouw van het dorp. Zij stoppen daar samen geld in  en hopelijk rond december staat het dorp er weer en kunnen er buffels geofferd worden tijdens een ceremonie.


Later die middag waren we redelijk vroeg terug in onze mooie huisjes en hebben we eindelijk eens tijd gehad om te relaxen met een boek op de veranda. Heerlijk!

De nieuwe dag bracht weer een lange rit over vreselijke wegen. Zodra je van een ‘hoofdweg’ af gaat blijven er alleen nog gaten over met af een toe een stukje asfalt als versiering er omheen. 




De eerste stop was in een dorp van de Manggarai bevolking. De huizen hier wijken af van die van de vorige dorpen van de Ngada. Ze zijn rond. Bij deze bevolking gaat het om vijf belangrijke bouwstenen: een huis, een altaar in het midden van een rond plein, daaromheen ruimte om als community samen te komen (om te spelen, te vieren, de dag door te nemen enz.), een waterbron en landbouw.  Asiz, onze gids komt uit deze Manggarai gemeenschap. Een ander verschil met de Ngada is dat men hier een patriarchale samenleving heeft, dus de bruid komt bij de schoonfamilie inwonen. Vol trots liet Asiz de waterbron zien, maar het was treurig om te zien hoeveel rommel er omheen lag aan bekertjes, flesje en andere plastic rommel.
Vuilnis ophalen is hier niet zo goed georganiseerd als bij ons. Zeker op het platteland niet. Er zijn wel een soort van vuilnismannen die met een karretje het vuil uit de dorpen en kampongs ophalen maar er zwerft echt overal vuil rond. Uit de gesprekken met Asiz is me niet helemaal duidelijk geworden waarom er zo weinig aan gedaan wordt. Maar ik realiseer me dat het makkelijk praten is voor een westerling. Bij ons is alles goed georganiseerd en die bovendien verschepen we ons plastic afval naar het buitenland. Laat ik dus maar beginnen bij mezelf en af en toe in de wijk waar ik woon het zwerfafval oppakken.



De vorm van een Manggaraidorp ( in een cirkel rondom het offerplateau) vind je terug in de sawa’s hier. We stopten onderweg bij een mooi (en hoog, alweer klimmen!) uitkijkpunt van waar je goed kon zien dat de sawa’s als een spinnenweb zijn aangelegd. De chief van het dorp plant een stok en van daaruit wordt voor elke bewoner van het dorp een stuk afgemeten met een touw. Zo ontstaat een spinnenweb aan sawaveldjes. 



Na dit mooie uitzicht gingen we op weg naar de vindplaats van de homo floresiensis oftewel de Floresmens. Deze mensensoort is zo’n 50.000 jaar geleden uitgestorven. In 2003 werd deze verre voorouder opgegraven op Flores. Het eerste gevonden skelet met een schedel was van een vrouw. Zij was maar 100 cm hoog. Een klein volkje dus, wat ze de naam Hobbit opleverde (toch nog een link naar mijn Nieuw-Zeelandreizen). Ze gebruikten al hulpmiddelen zoals stenen speren en bijlen.  Een replica van het skelet ligt in het kleine infohuisje dat er staat, de echte ligt in Jakarta in het museum. Ze leefden in een grote kalksteengrot, we zijn er in geweest. Een indrukwekkende plek waar de stalagtieten en stalagmieten als spijkers uit het plafond en de vloer staken.




We hobbelden verder door naar onze volgende verblijfplaats Labuan Bajo. Het was nog een probleem om benzine te tanken. Het eiland wordt bevoorraad vanaf de oostkant. Voordat de tankwagen in de westkant aankomt is hij vaak al leeg. Veel dorpelingen gaan vaak jerrycans vullen om met winst door te verkopen. Hierdoor is er niet altijd benzine te krijgen voor de toeristenbussen aan de westkant van het eiland. De benzinepompen hebben verschillende pompen: voor brommers en motoren, voor toeristenbussen en voor het gewone vervoer, elk met een eigen prijs. Soms is er dus wel benzine, maar niet voor de toeristenbus. Het spande er nog om of onze benzinemeter op het nulpunt zou uitkomen, maar chauffeur Lexi had al wel een jerrycan achter in de bus liggen. 



Op het laatste drupje benzine kwamen we aan in Labuan Bajo om daar een nachtje in een hotel door te brengen en de volgende dag voor twee dagen een boot op te gaan.



maandag 7 oktober 2019

Bronnen met warm water en huisjes zonder water

We gingen op weg naar Bajawa. Wederom een rit van zo’n 6 uur, inclusief een bezoek aan de Malanage Hot Springs in Soa. Deze warmwaterbron ligt mooi in de bergen. Warm water uit de vulkanische berg komt aan de oppervlakte en vermengt zich met beekjes koud water uit de bergen. Het is heel aangenaam verpozen. Veel mensen stappen er met kleren en al in. Omdat het vandaag weer erg warm was hadden we niet zoveel behoefte aan een hotspring, dus na een half uurtje trokken we weer verder.




We bleven hobbelen op slechte wegen en maakten een stop bij een traditioneel dorp. Azis vertelde het een en ander over wat we daar zagen. De huizen zijn opgesteld rond een kale vlakte. Daarop in het midden twee soorten huisjes die voor ceremonies worden gebruikt waarin/waarop wordt geofferd. Een voor de vrouwen met rechthoekige schuine daken en een dicht huisje daaronder en een die er uitzien als een soort parasol: een dikke stam met uitkervingen en een bladerdak. Dit is voor de mannen.
Bij elke ceremonie worden offers gebracht aan de geesten van de voorouders. Dat offer kan een buffel zijn, een koe of een varken en rijst. Dit wordt gezamenlijk door het dorp bekostigd. Aanleiding voor een ceremonie kan zijn: de bouw van een nieuw huis, een huwelijk of een sterfgeval. Bij de huizen hangen de hoorns van de buffels en de kaken van de varkens en koeien die geofferd zijn. Het is als het ware het prijskaartje dat bij het huis is gehangen. 
De huizen waar de mensen in wonen zijn heel eenvoudig en gemaakt van bamboe. Een ruimte om te zitten en te eten, een ruimte om op te slapen en een kookruimte. Op deze laatste plek wordt niet alleen het eten voor de familie bereid maar ook dat van de varkens.
De huizen staan altijd op een verhoging. De tredes in deze dorpjes zijn onwijs hoog. Wij hebben aldoor moeite om er op te klimmen of af te stappen, maar de oude vrouwtjes gaan hier zonder enige moeite op en af. Achter het huis is vaak een tuintje en een varkenshok. Er is geen water, dat moet van elders gehaald worden. 
Verder scharrelen er veel honden rond (die ook gegeten worden) en kippen. 
Kleine kindjes spelen rondom en soms ook onder het huis. 
De oudere kinderen gaan vanaf 6 jaar naar school. In elk geval tot hun 13e. Ze kunnen ook doorgaan naar highschool maar dat is duur. En vanaf je 18e kun je eventueel naar de universiteit. Maar daar moet je wel slim en rijk voor zijn. Tot de middelbare school wordt het onderwijs door de regering betaald. Ouders betalen alleen nog voor de schooluniformen. 






In Bajawa gebruikten we een heerlijk lunch in een heel leuk restaurantje. Je moest een trap opklimmen om binnen te komen. Hier hebben we heerlijke babi ketjap gegeten. Tot op heden het beste maaltje dat ik hier in Indonesië heb genuttigd.

Drie kwartier later kwamen we tenslotte aan in onze huisjes in Manulala. De huisjes staan midden in het regenwoud en liggen vrij hoog op de helling waardoor je een mooi uitzicht op het dal hebt. Ware het niet dat bij aankomst de mist over de berg heen rolde het dal in. Niks geen uitzicht helaas dus. De receptie en het restaurant zijn gevestigd in een kleurrijk gebouw met mooie gebrandschilderde ramen. Ook hier hangt een soort lui gevoel. Met de mist om je heen waan je je bijna in de Himalaya of iets dergelijks. 
De huisjes zijn geweldig! Heel luxe, mooi bed met klamboe, rieten matten op de vloer, rieten manden, een grote stortdouche, een fantastische veranda met een lui ligbed. Het kan niet op. Wat een enorm verschil met de dorpen waar we doorheen komen! je beseft weer eens te meer hoe goed je het hebt.




Na een goed diner heerlijk geslapen in mijn mooie huisje!

zaterdag 5 oktober 2019

Wondere wereld en taaie kippen

Na alle gehobbel kregen we de volgende dag een heerlijk bijkom-dagje. We gingen met een bootje de 17 eilanden van Riung verkennen (nou ja, niet alle 17 maar wel een aantal daarvan). Eerst flippers halen en vervolgens een houten bootje op. Je moet je daar geen super-de-luxe boot bij voorstellen. Gewoon een lang smal houten bootje met luifel en langs de zijkant een houten bankje. De motor van het bootje trilde zo hard dat je nieren ergens in je nek kwamen te zitten. Maar dat mocht de pret niet drukken. Prachtige witte stranden en vooral heerlijk snorkelen langs het koraal. Een nieuwe ervaring voor mij. Ik had alleen ooit een snorkel gebruikt toen ik met dolfijnen ging zwemmen in Nieuw-Zeeland. Maar daar was het water veel troebeler en zwommen we op volle zee. Nu zwommen we langs de rand van het eiland en het water was behoorlijk helder. Ik verbaasde me erover dat je in feite twee meter het water inloopt en dat daar dan een compleet andere wereld onder je huist. Mooie koralen, knalblauw zeesterren, een zeeduivel, scholen kleine fluorescerende visjes, grotere vissen in de mooiste kleuren. Echt een fantastische ervaring! 
De hele dag voeren we wat van het ene naar het andere eiland en de lunch was vis, gebakken op een vuurtje op het strand. Gelukkig hadden ze ook kip mee genomen, want helaas houd ik niet van vis. Ondertussen leek ik ook wel een gebakken vis, ondanks veelvuldig insmeren had ik tijdens het snorkelen toch mijn rug verbrand. 
Tegen het eind van de middag kwamen we nog langs een eiland met mangroven waarin vliegende honden hingen, grote vleermuizen die in trossen aan kale takken op een kluitje zaten. Op een gegeven moment begonnen ze massaal te vliegen en het is indrukwekkend om te zien hoeveel het er wel niet zijn!

Terug in ons reggae-hotel aten we hetzelfde menu als gisteren (“we hebben geen menu”) namelijk super taaie kippenbout met aardappeltjes. Als je de kippen hier ziet weet je gelijk al dat een kippenpootje hier niet te vergelijken is met die van thuis. De kippen lopen hier op hoge poten, ze zijn veel ranker dan onze volronde Barnevelders. Die sterke scharrelpootjes van ze zijn vooral pezig en weinig vlezig.
Omdat ik niet van vis houdt beperkt het menu zich vaak tot kip, mie en nasi. Op Java en Bali kon je nog wel een wat afwisselen met westers eten zoals een  biefstukje of een pizza. Maar hier op Flores is gewoonweg minder te krijgen. 

Tijdens ons snorkeldagje was intussen onze chauffeur met de bus zonder werkende airco terug naar Maumere vertrokken om het te laten repareren. Er was een nieuwe chauffeur inclusief andere bus naar ons onderweg om de volgende dag weer verder te reizen.

vrijdag 4 oktober 2019

Vulkaankraters en zandwegen

We vertrokken op tijd op onze tweede dag op Flores want we hadden een lange rit voor de boeg en we begonnen met een beklimming van de vulkaan de Kelimutu. Deze staat bekend om de drie kleuren kratermeren. Hierover had oma vroeger wel eens verteld, dus zij heeft hier waarschijnlijk ook ooit een keer gelopen. Volgens de legenden is het donkere meer voor geesten van de oude mensen, de lichtblauwe voor die van kinderen en de donkerder blauwe voor de slechterikken. Overigens verschillen de kleuren in de meren nogal eens, afhankelijk van het mineraalgehalte van de vulkaan. Deze keer waren er echt prachtig onderscheidende kleuren te zien. Het was een hele klim naar de top. Weliswaar met traptreden, maar ook dat is heel zwaar. Gelukkig was de hitte niet zo erg. Het was rond de 18 graden, ideaal loopweer dus. De gids vond het maar berekoud. Hij had ons geadviseerd warme kleding mee te nemen, maar dat was niet echt nodig geweest. Het waaide wel heel hard op de top maar het was toch nog steeds aangenaam. 
Later op de dag zat ik foto’s op mijn camera terug te kijken, en toen leek het alsof alle foto’s van deze dag waren gewist! Echt balen dus, want dit was een van de hoogtepunten van Flores. Na een tijdje legde ik mij erbij neer en bedacht dat ik nog altijd de beelden in mijn hoofd had! Gelukkig bleek uiteindelijk bij het importeren van foto’s naar mijn IPad dat ze toch nog op het sd-kaartje stonden, dus was er niets verloren gegaan. (En anders had ik natuurlijk ook nog de foto’s die mijn zus gemaakt heeft. Dat is het fijne van samen reizen: je kunt elkaar nog eens op de foto zetten en foto’s uitwisselen.)




We gingen weer verder op weg want we hadden nog uren te gaan naar ons volgende adres. Ik verbaas me over hoe rijk(er) en arm door elkaar wonen. De een heeft een huis van cementblokken, soms zelfs glad gepleisterd en in felle kleuren geverfd. De buurman kan een huisje van rieten matten en bamboe hebben.  In de streek waar we nu reden, omgeving Ende, was het erg vervuild om de huizen heen en langs de weg. Overal plastic flessen en andere rommel. Degenen die het wel netjes rond hun huisje maken doen dat vooral door te vegen en te verbranden. Dus overal vuurtjes en rook. In de omgeving van Ende was het ook ineens weer islamitisch. Moskeeën, vrouwen met hoofddoek e.d. In tegenstelling tot eerder, waar het meer katholiek was.



 De gids vertelde ons dat op het eiland diverse dialecten worden gesproken. Maar op de basisschool krijgen de leerlingen les in het officiële Bahasa Indonesia. Tot de derde klas wordt er ook in het dialect les gegeven.
Jongeren vertrekken vaak van Flores naar Java omdat daar meer werk te vinden zou zijn dan op Flores. De mensen hebben hier weinig  inkomstenbronnen. Ze leven vooral van de landbouw: wat rijst, maar vooral ook cashewnoten, macadamia’s, mais, groenten. In tegenstelling tot Java bezit men hier vaak wel zelf een huis en wat grond. In die zin is men niet arm. Maar het is hier echt leven van dag tot dag.

We lunchten langs een strand dat bekend staat om zijn blauwe stenen. Deze worden ook verzameld door de lokale bewoners en verkocht voor zwembaden, in huizen en traptredes bijvoorbeeld. De stenen zijn inderdaad mooi blauw, maar vooral als ze nat zijn. Droog valt het minder op.

 


Op een bepaalde manier zit er wel veel rust in de manier van leven hier. Niemand is hier gehaast, ook niet in het verkeer. er is ook gewoonweg minder verkeer als op Java en Bali. Als je langs de huisjes rijdt zit er altijd wel iemand voor de deur of op een platje buiten. Eerlijk gezegd zie je weinig mensen echt aan het werk. Maar dat kan ook het beeld zijn van het eind van de dag als iedereen weer thuis is van het werken op het veld. 

In het stuk dat we reden van Moni naar onze bestemming Riung werd de weg steeds beroerder. We waren buiten het nationale park en meteen werd de weg heel smal. In Nederland zou je het een eenrichtingsstraatje noemen, of zelfs een fietspad. De weg brokkelt overal af aan de randen in middenin zitten soms ook enorme gaten. Het is dus slalommen, elkaar ontwijken, door onvermijdelijke diepe gaten heen hobbelen. En veel stijgen en dalen. het busje kan het maar net aan. De reis duurde voor ons gevoel eindeloos. Tot overmaat van ramp hield de airco er ook mee op. Zweten dus en meehobbelen. Een brug was onder constructie, dus we werden omgeleid. De tocht begon steeds meer op Paris-Dakar te lijken. Dwars door het zand, over een onmogelijk smal bruggetje, en ook een keer door de rivier heen. Grappige plek daar want iedereen reed er zijn auto of brommer het water in en ging die daar wassen. Maar het leek wel het eind van de wereld te zijn.




Eenmaal weer op de ‘normale’ weg werd het landschap steeds schraler. Tot nog toe reden we door bosachtig landschap tussen de palmbomen, bananenbomen e.d. Maar nu werd het een kurkdroog gebied met gele berghellingen. De huisjes die we tegenkwamen werden steeds armoediger. Bamboehuisjes die op grote kale zwarte zandvlaktes stonden. De mensen hier leven van de geiten. De grond is zo schraal dat hier niets verbouwd kan worden. Bovendien is het dit jaar ook erg droog geweest. Normaal gesproken zou nu het regenseizoen al zijn begonnen, maar er is nog niets van te merken. Nog steeds hoge temperaturen en een hoge luchtvochtigheid.




Doodmoe kwamen we aan in Riung. Ons onderkomen was verrassend in een tuin gelegen met mooie planten en bloemen. De kamers waren functioneel, maar enorm kaal. Een bed en een tafel om je tas op te zetten. Qua vierkante meters wel erg ruim. Een betegelde vloer, twee lichtpunten aan het plafond. Een douche waar twee straaltjes uit kwamen en een toilet waarvan de stortbak niet meer volliep. Na alle verwennerij op Java en Bali is het echt wel even omschakelen.
Maar het restaurantje was heel gezellig. De eigenaar was een rastaman. Bob Marley hing aan de muur en er draaide reggaemuziek. Het geeft je een enorm slowdown gevoel. We kwamen ook een groep Duitse toeristen tegen die dezelfde route volgen als wij. De vorige dag zaten zij ook in Moni en nu dus in Riung. Die zullen we nog wel een paar keer tegenkomen.



donderdag 3 oktober 2019

Naar Flores


Op 3 oktober, de sterfdag van mijn moeder, vlogen we naar haar geboorte-eiland: Flores. Deze reisdatum was min of meer toevallig, maar het maakt de cirkel wel mooi rond!

Een lange reisdag stond op het programma. Eerst een paar uur rijden naar het vliegveld in Denpasar en dan vliegen naar Maumere op Flores. De vlucht zelf was kort, slechts 2 uur met een propellorvliegtuig van Lion Air. Er was wat vertraging dus we kwamen later op Flores aan dan gepland.

Vanaf het vliegveld was het nog 4 uur rijden door de bergen, dus was er weinig tijd voor tussenstops. We zij even gestopt aan het strand met zicht op de Indische Oceaan. Daarna gelijk weer door zodat we op tijd zouden zijn voor het diner op ons logeeradres.

We hebben een nieuwe chauffeur en deze keer ook een gids die de rest van de reis bij ons zullen zijn. De chauffeur heet Valdi, de gids Azis. 
Onderweg vertelde de gids ons wat weetjes over  Flores. Van oorsprong was het Portugees gebied. Zij brachten hier het katholicisme. Op dit moment is nog 70% katholiek, 15% hindoe en 15% moslim.
Het is gelijk te zien aan de gebouwen op Flores. Dit keer geen minaretten maar veel kerken met een kruis. 




Flores voelt weer totaal anders aan dan de vorige eilanden. Hier geen grote sawa’s, ze zijn er wel, maar veel palmbomen en bananenbomen. En een heel opvallende boom is de macadamia. Deze bloeit prachtig wit en steekt echt af op de hellingen. Net zilveren bladen op de toppen van de takken in het late daglicht.
Een andere vrucht van hier: de cashewnoten. Genoeg lekkers dus om te snoepen.
De naam Flores betekent bloem en dat is wat je hier veel ziet. Bloemen van gewassen en ook wilde bloemen.





De wegen die we rijden zijn enorm bochtig, we rijden dwars door de bergen. Flores heeft maar liefst 14 vulkanen en die zijn bepalend voor het beeld van het eiland. Hoge, scherpe bergen met veel plooien. Het stuk dat we vandaag rijden is redelijk goed begaanbaar. Er wordt veel werk aan besteed. Dat komt omdat we door een nationaal park rijden en voor het toerisme wordt het nodige geld uitgegeven om de wegen goed te houden.

Omdat we laat aankwamen op ons logeeradres in Moni zagen we totaal niets van de omgeving (rond 6 uur is het donker). Het waren leuke ecolodges. We kwamen lekker bij met een diner ter plekke en gingen op tijd naar bed. Groot was de verrassing toen ik ‘s ochtend het gordijn open deed. Onze lodges keken uit op een berghelling met sawa’s. Wat een prachtig gezicht! Jammer dat we hier niet nog een nachtje zouden doorbrengen!



woensdag 2 oktober 2019

Bijkomen op Bali



Na het drukke programma van de afgelopen dagen maakten we even een tussenstop op Bali (want je kunt niet rechtstreeks naar Flores vliegen vanaf Java).

Wat een verademing! We zaten in hele luxe huisjes in Ubud. Eigen tuintje, zwembad, keukentje. Fantastisch! 




Het eiland Bali ademt een totaal andere sfeer uit dan Java. Het lijkt wel of alles hier glimlacht, zelfs de hondjes die op straat lopen. 
Op Java zag je vrijwel geen honden. Mogelijk omdat het islamitisch is en honden onrein zijn? Tatang vertelde dat hij als kind wel eens honden ging vangen voor restaurants. Officieel mag het niet, honden op het menu, maar clandestien gebeurt het wel. Hij lokte de hond dan met een maaltje op een bananenblad met daaraan een touwtje. Grappig dat zulke trucjes wereldwijd gebruikt worden. Het doet me denken aan het grapje met de portemonnee met een touwtje er om, die je wegtrekt als iemand hem wil oprapen.

Hoe dan ook, Bali is voornamelijk Hindoeïstisch en dat is overal te zien. Elke familie heeft zijn eigen tempeltje op hun grond staan. Er worden de hele dag door offertjes gedaan, kleine mandjes met eten en bloemen en wierook. Je vindt ze op de gekste plekken, midden op de stoep, op een kruispunt enz. De offers moeten zorgen dat kwade geesten buiten blijven. Het ziet er heel fleurig uit. Telkens zie je vrouwen met manden op hun hoofden lopen met offergaven. 
De vrouwen dragen ook van die mooie heldere kleuren: een kanten bloesje, een lint om de middel en een kleurige sarong. Dat maakt het allemaal zo vrolijk!
Ik kan me voorstellen dat je wel langere tijd kunt doorbrengen op dit eiland. 




Belangrijk verschil ook met Java: er is bier verkrijgbaar! (Want daar is het vanwege de islam nauwelijks te vinden). Heerlijk op een hete dag!  Bali is voor 70% hindoeïstisch.

Tegenover onze mooie huisjes zat een massagesalon. Heerlijk 2 uur languit, lekker gemasseerd worden, gescrubd en in de yoghurt gezet (ja echt) en tot slot nog in een herbal bath dobberen. 

Op dag 2 zijn we ook hier weer op de fiets gestapt. Dit keer waren het goede mountainbikes. Helm op en rijden maar. Ik zie er uit als Corrie van Gorp, met mijn zonnehoedje onder de helm, maar dat mocht de pret niet drukken.



We maakten een tocht van ongeveer 25 kilometer door dorpjes en de dessa, voornamelijk downhill. Ik vond het in het begin zelfs nog wel eng, want je gaat met een rotvaart naar beneden en er zitten soms grote gaten in de wegen. Maar na een tijdje ga je je zekerder voelen. We keken even op het erf van een familie. Zij wonen op een terrein met meerdere gezinnen. Huizen staan altijd gericht op noord, oost, zuid of west. Dus nooit een richting daar tussenin. En elke familie heeft een eigen tempeltje. Daar moet je je echt iets groots bij voorstellen. Voor de diverse goden staan er een door pagodes en ook voor voorouders.

Een andere tussenstop was bij een koffieplantage. De bekende Luwak koffie wordt hier gemaakt. Deze luwak is een dier dat de koffiebessen eet en na 3 dagen weer uitpoept. In de maag zijn de bonen gefermenteerd. De uitwerpselen van de luwak worden verzameld en gewassen en de bonen er weer uit gevist. Deze worden gebrand en verkocht. Het is erg dure koffie omdat het veel werk is om de uitwerpselen te zoeken. De bonen bevatten minder cafeïne en meer proteïnen dan gewone koffie.
We kregen ook nog de cacao bonen te zien. Je kunt op het vruchtvlees dat er omheen zit zuigen, dat is lekker zoetzuur.
Verder kregen we nog wat uitleg over diverse planten zoals de ginseng, geelwortel, gember citroenrasp e.d. en waar ze allemaal goed voor zijn. Toen we wat gingen drinken kregen we naast de bestelde drankjes ook een soort proeverij van diverse soorten koffie en thee. De meeste vond ik erg lekker, maar soms wel erg zoet.



Later reden we weer door de prachtige sawa’s die er mooi groen bij stonden. Toen we weer in een dorpje kwamen zagen we bij een tempel allemaal voorbereidingen voor een grote hindoeceremonie die over twee weken zou plaatsvinden. Grote praalwagenachtige constructies met de kleuren van de god. 
Bij een huis was een prachtige versiering van de ingang te zien. Dat was ter ere van een huwelijk. Het was een rijke familie die groots had uitgepakt. En tijdens de bruiloft zelf die over een week zou plaatsvinden zouden ook olifanten gebruikt worden. 




Al met al weer een boeiende tocht en na afloop flink spierpijn. Eigenlijk zou ik me gelijk weer moeten laten masseren! Niet gedaan, maar wel lekker bij het zwembad een boek liggen lezen. Was ik tot nog toe nauwelijks aan toegekomen.
‘S avonds uit eten en zowaar een pizza gegeten. Dat is wel even lekker na al die nasi. En waarschijnlijk de laatste keer deze reis want we verwachten van Flores dat het veel minder westers is.