Lekker slapen en goed gegeten, dat hadden we wel nodig want de volgende dag maakten we een wandeling van ruim een uur over de hellingen in de omgeving van ons hotel. We bezochten daar een paar traditionele dorpen van de Ngada regio. Ik heb me daar nog laten verleiden tot het kopen van een ikat kleedje. Helaas zag ik later pas dat een kant helemaal verkleurd was door de zon. Met mijn zonnebril op en in de halfdonkere huisjes had ik dat niet gezien. Geen nood, ik leg het kleedje gewoon met de andere kant naar boven.
We kregen ook een maaltijd aangeboden zoals ze die hier gewend zijn te eten. Rijst wordt aangevuld met mais, want de rijst is duur hier. Als groente was de bloem van een bananenplant gekookt en er zat een gekookt ei bij in de sambalsaus. Al met al verrassend smakelijk, maar niet zo voedzaam.
De Ngada hebben een matriarchale samenleving. Als een meisje trouwt komt de schoonzoon bij haar familie inwonen. Er wordt een flinke bruidsschat betaald, afhankelijk van het opleidingsniveau van de bruid. Soms wordt dat in delen betaald, bijvoorbeeld op het moment dat een broer van de vrouw gaat trouwen. Dan legt de schoonfamilie dus ook nog geld bij voor de bruiloft van de broer.
De wandeling voor ons langs 4 dorpen en er was hier veel bedrijvigheid. Het laatste dorp was enige tijd geleden vrijwel helemaal afgebrand. Omdat het zo ver verwijderd ligt van de bewoonde wereld kwam de brandweer pas na 2 uur aan en was er nauwelijks water om te blussen. Nu werd er gezamenlijk hard gewerkt aan de herbouw van het dorp. Zij stoppen daar samen geld in en hopelijk rond december staat het dorp er weer en kunnen er buffels geofferd worden tijdens een ceremonie.
Later die middag waren we redelijk vroeg terug in onze mooie huisjes en hebben we eindelijk eens tijd gehad om te relaxen met een boek op de veranda. Heerlijk!
De nieuwe dag bracht weer een lange rit over vreselijke wegen. Zodra je van een ‘hoofdweg’ af gaat blijven er alleen nog gaten over met af een toe een stukje asfalt als versiering er omheen.
De eerste stop was in een dorp van de Manggarai bevolking. De huizen hier wijken af van die van de vorige dorpen van de Ngada. Ze zijn rond. Bij deze bevolking gaat het om vijf belangrijke bouwstenen: een huis, een altaar in het midden van een rond plein, daaromheen ruimte om als community samen te komen (om te spelen, te vieren, de dag door te nemen enz.), een waterbron en landbouw. Asiz, onze gids komt uit deze Manggarai gemeenschap. Een ander verschil met de Ngada is dat men hier een patriarchale samenleving heeft, dus de bruid komt bij de schoonfamilie inwonen. Vol trots liet Asiz de waterbron zien, maar het was treurig om te zien hoeveel rommel er omheen lag aan bekertjes, flesje en andere plastic rommel.
Vuilnis ophalen is hier niet zo goed georganiseerd als bij ons. Zeker op het platteland niet. Er zijn wel een soort van vuilnismannen die met een karretje het vuil uit de dorpen en kampongs ophalen maar er zwerft echt overal vuil rond. Uit de gesprekken met Asiz is me niet helemaal duidelijk geworden waarom er zo weinig aan gedaan wordt. Maar ik realiseer me dat het makkelijk praten is voor een westerling. Bij ons is alles goed georganiseerd en die bovendien verschepen we ons plastic afval naar het buitenland. Laat ik dus maar beginnen bij mezelf en af en toe in de wijk waar ik woon het zwerfafval oppakken.
De vorm van een Manggaraidorp ( in een cirkel rondom het offerplateau) vind je terug in de sawa’s hier. We stopten onderweg bij een mooi (en hoog, alweer klimmen!) uitkijkpunt van waar je goed kon zien dat de sawa’s als een spinnenweb zijn aangelegd. De chief van het dorp plant een stok en van daaruit wordt voor elke bewoner van het dorp een stuk afgemeten met een touw. Zo ontstaat een spinnenweb aan sawaveldjes.
Na dit mooie uitzicht gingen we op weg naar de vindplaats van de homo floresiensis oftewel de Floresmens. Deze mensensoort is zo’n 50.000 jaar geleden uitgestorven. In 2003 werd deze verre voorouder opgegraven op Flores. Het eerste gevonden skelet met een schedel was van een vrouw. Zij was maar 100 cm hoog. Een klein volkje dus, wat ze de naam Hobbit opleverde (toch nog een link naar mijn Nieuw-Zeelandreizen). Ze gebruikten al hulpmiddelen zoals stenen speren en bijlen. Een replica van het skelet ligt in het kleine infohuisje dat er staat, de echte ligt in Jakarta in het museum. Ze leefden in een grote kalksteengrot, we zijn er in geweest. Een indrukwekkende plek waar de stalagtieten en stalagmieten als spijkers uit het plafond en de vloer staken.
We hobbelden verder door naar onze volgende verblijfplaats Labuan Bajo. Het was nog een probleem om benzine te tanken. Het eiland wordt bevoorraad vanaf de oostkant. Voordat de tankwagen in de westkant aankomt is hij vaak al leeg. Veel dorpelingen gaan vaak jerrycans vullen om met winst door te verkopen. Hierdoor is er niet altijd benzine te krijgen voor de toeristenbussen aan de westkant van het eiland. De benzinepompen hebben verschillende pompen: voor brommers en motoren, voor toeristenbussen en voor het gewone vervoer, elk met een eigen prijs. Soms is er dus wel benzine, maar niet voor de toeristenbus. Het spande er nog om of onze benzinemeter op het nulpunt zou uitkomen, maar chauffeur Lexi had al wel een jerrycan achter in de bus liggen.





Geen opmerkingen:
Een reactie posten